Direct naar de inhoud

Meten oefenen

Hoe leer je je kind meten? Hier lees je wat een kind in welke groep leert, van meten met voetjes tot omtrek en oppervlakte. Ook waar het vaak misgaat en hoe je thuis oefent. Met een grasveld om zelf te maken, vijf werkbladen om te printen en het spel Sportdag.

  • Groep 3 tot en met 6
  • Vijf werkbladen
  • Geen reclame, geen account

Het grasveld

4 m3 m
Hek (omtrek)
14 m2 × (4 + 3)
Gras (oppervlakte)
12 m²4 × 3

Een veld van 4 bij 3 meter: 14 meter hek en 12 m² gras.

In welke groep leer je meten?

Meten begint in groep 3 met voetjes en stappen. In groep 4 komen de meter en de centimeter, en in groep 6 reken je de omtrek en de oppervlakte uit met een formule. Elke stap bouwt voort op de vorige.

  1. 6 voetjes

    Groep 3

    Meten met voetjes en stappen

    Een kind meet een lengte door af te passen: hoe vaak past mijn voet erin? Dat aantal is de lengte. Woorden als lang, langer, langst en kort, korter, kortst horen erbij.

  2. Groep 3

    Eén vaste maat afspreken

    De meester meet de gang in 24 stappen, een kind in 35. Allebei kan kloppen, want hun stappen zijn niet even groot. Daarom spreek je één maat af. Zo vergelijk je ook oppervlaktes (tegels tellen) en gewichten (met een balans).

  3. 1 m = 100 cm

    Groep 4

    Meter en centimeter

    Een kind weet dat 1 meter 100 centimeter is. Het meet met een liniaal, rolmaat of meetlint tot op de centimeter. Een grote stap is ongeveer 1 meter.

  4. 1 kg

    Groep 4

    Omtrek, oppervlakte en kilogram

    De omtrek meet een kind met een touwtje of door hokjes te tellen, de oppervlakte met een rooster van hokjes. Wegen gaat met een weegschaal, in hele kilo's: het is bijna 3 kilo.

  5. 1 m = 10 dm

    Groep 5

    Millimeter, decimeter en kilometer

    1 m is 10 dm, 1 dm is 10 cm, 1 cm is 10 mm en 1 km is 1000 m. Een kind rekent om: 2 m 40 cm is 240 cm. Het leert ook de gram: 1000 gram is 1 kilo.

  6. Groep 5

    Omtrek en oppervlakte op roosterpapier

    Een kind rekent de omtrek en de oppervlakte van een rechthoek uit op roosterpapier, of als de lengtes van de zijden erbij staan. Een rechthoek met een omtrek van 24 cm kan op meer manieren: welke?

  7. 2,37 m

    Groep 6

    Kommagetallen bij maten

    2,37 m is 2 meter en 37 centimeter, en 4,5 km is 4 kilometer en 500 meter. De hectometer komt erbij: 1 km is 10 hm. En bij gewicht: 2,5 kg is meer dan 2000 gram.

  8. l × b

    Groep 6

    Omtrek en oppervlakte met de formule

    De omtrek van een rechthoek is 2 × (l + b), de oppervlakte is l × b, in m², dm² of cm². Een kind kan uitleggen dat twee velden even groot kunnen zijn met toch een andere omtrek.

Deze volgorde komt uit de tussendoelen rekenen-wiskunde van SLO, het nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling (versie 2017). Elke school en elke rekenmethode kiest een eigen tempo. Bij meten horen ook inhoud (liter), tijd en geld; klokkijken en rekenen met geld hebben op Kiendoo een eigen pagina. In groep 7 volgen onder meer de decameter, de hele trap van kilometer tot millimeter en de oppervlakte van een driehoek.

Wat is meten?

Meten is kijken hoe vaak een maat in iets past. Past je voet 6 keer in de sprong, dan is de sprong 6 voetjes. Een getal zegt pas iets met de maat erbij: 6 voetjes is iets anders dan 6 meter.

In groep 3 meten kinderen met hun eigen voeten, stappen of handen. Dan merken ze vanzelf dat dat niet eerlijk is: een grote voet past minder vaak. Zo snappen ze waarom we de meter hebben, een maat die voor iedereen even lang is.

Meter en centimeter: zo lees je een meetlint

Een meter is 100 centimeter. Op een meetlint staat bij elke 10 centimeter een getal. Daartussen zitten 10 kleine streepjes van 1 centimeter.

Leg de 0 precies tegen het begin. Zoek dan het getal vóór het eind en tel de streepjes verder. Staat het eind 5 streepjes na de 130, dan is het 135 cm. Dat is 1 meter en 35 centimeter, kort: 1 m 35 cm.

Let op het verschil tussen 1 m 5 cm en 1 m 50 cm: dat is 105 cm en 150 cm.

Lengtematen: van kilometer tot millimeter

De lengtematen staan op een trap. Ga je één trede omlaag, dan wordt het getal 10 keer zo groot: 1 m is 10 dm, en 1 dm is 10 cm. Ga je een trede omhoog, dan deel je door 10.

Van kilometer naar meter zijn het drie treden: 1 km is 1000 m. Van meter naar millimeter ook: 1 m is 1000 mm.

Een kind leert de maten niet allemaal tegelijk. Bij elke trede staat in welke groep die maat erbij komt.

  1. kmkilometergroep 5
  2. hmhectometergroep 6
  3. damdecametergroep 7
  4. mmetergroep 4
  5. dmdecimetergroep 5
  6. cmcentimetergroep 4
  7. mmmillimetergroep 5
Omrekenen: zo doe je het
MaatZo reken jeUitkomstGroep
2 m 40 cm200 cm + 40 cm240 cm5
1 m 2 dm10 dm + 2 dm12 dm5
12 dm12 keer 10 cm120 cm5
4,5 km4 km + 500 m4500 m6
2,37 m2 m + 3 dm + 7 cm237 cm6

Omtrek: het hek om het veld

De omtrek is de lengte rondom iets. Denk aan een hek om een grasveld: je loopt één keer langs de hele rand.

Een veld van 4 m lang en 3 m breed heeft 4 + 3 + 4 + 3 = 14 m hek. Korter opgeschreven: 2 × (4 + 3) = 14, of 2 × 4 + 2 × 3 = 14.

Oppervlakte: het gras op het veld

De oppervlakte is hoe groot een vlak is. Op het veld leg je tegels gras van 1 bij 1 meter. Elke tegel is 1 vierkante meter, kort: 1 m².

Er liggen 3 rijen van 4 tegels: 3 × 4 = 12 tegels, dus 12 m². Daarom reken je de oppervlakte van een rechthoek uit met lengte keer breedte: 4 × 3 = 12.

Even groot, toch een ander hek

Deze drie velden zijn allemaal 12 m²: 12 bij 1, 6 bij 2 en 4 bij 3 meter. Er past evenveel gras op, maar het hek is steeds anders: 26, 16 en 14 meter.

Hoe meer een veld op een vierkant lijkt, hoe korter het hek. Dit leert een kind in groep 6: een even grote oppervlakte kan een andere omtrek hebben.

Gewicht: kilo en gram

In groep 3 vergelijkt een kind gewichten met een balans: deze tomaat weegt evenveel als vijf champignons. In groep 4 komt de kilogram erbij en weegt het met een weegschaal.

In groep 5 leert een kind de gram: 1000 gram is 1 kilo. In groep 6 vergelijkt het: 2,5 kg is meer dan 2000 gram, want 2,5 kg is 2500 gram.

Wegen zit nog niet in Sportdag. Thuis kan het prima met een keukenweegschaal.

Vijf vergissingen om op te letten

Deze vergissingen zitten als foute keuzes in Sportdag, zodat een kind ze leert zien.

  1. Niet bij de 0 beginnen

    Ligt de 0 van het meetlint niet tegen het begin, dan klopt de hele meting niet. Sommige kinderen tellen ook vanaf 1 in plaats van vanaf 0, en zitten er dan één naast.

  2. 1 m 5 cm en 1 m 50 cm door elkaar

    1 m 5 cm is 105 cm, 1 m 50 cm is 150 cm. Schrijf ze allebei in centimeters, dan zie je het verschil meteen.

  3. Getallen vergelijken zonder de maat

    98 cm lijkt meer dan 1 m 5 cm, want 98 is een groter getal. Maar 1 m 5 cm is 105 cm. In groep 3 gaat het net zo: een stap is groter dan een voetje, dus 3 stappen kan verder zijn dan 5 voetjes.

  4. Een nul te veel of te weinig

    12 dm is 120 cm, niet 12 cm of 1200 cm. En 1 m 2 dm is 12 dm, niet 1 m 2 cm. Wie de trap van de lengtematen kent, ziet hoeveel nullen erbij moeten.

  5. Omtrek en oppervlakte verwisseld

    Het hek gaat om het veld (omtrek, in meter), het gras ligt erop (oppervlakte, in m²). Een andere vergissing: 4 + 3 = 7 m hek. Dat zijn maar twee zijden; het hele hek is 2 × 7 = 14 m.

Zo oefen je thuis

Meten leer je door het echt te doen. In huis liggen genoeg dingen om te meten en te wegen.

  • Voetje voor voetje

    Hoeveel voetjes is de gang? Loop hak tegen teen en tel. Doe het daarna allebei: waarom komen jullie op een ander aantal?

  • Het meetlint

    Meet samen de tafel, de deur of je kind zelf. Laat je kind eerst de 0 tegen het begin leggen en dan de streepjes tellen.

  • Eerst schatten

    Hoe lang is je bed? Eerst raden, dan meten. Was het meer of minder dan 1 meter? Zo krijgt een kind gevoel voor maten.

  • Wegen in de keuken

    Weeg een appel, een pak rijst en een knuffel. Wat is het zwaarst? Kijk ook op de verpakking hoeveel gram erop staat.

  • Tegels tellen

    Hoeveel tegels liggen er op het terras of in de badkamer? Tel een rij en het aantal rijen. Zo zie je waarom de oppervlakte lengte keer breedte is.

  • Kort en vaak

    Liever elke dag vijf minuten dan één keer per week een uur. Stop als het nog leuk is.

Werkbladen meten om te printen

Vijf werkbladen, van meten met voetjes tot omtrek en oppervlakte met de formule. Elk werkblad past op één A4. De antwoorden staan onderaan, op zijn kop.

Meten met voetjesGroep 3

Meten: Meten met voetjes

Naam:

1. Hoe ver sprong elk kind? Tel de voetjes.

  • voetjes
  • voetjes
  • voetjes
  • voetjes
  • voetjes
  • voetjes

2. Hoeveel tegels liggen er?

  • tegels
  • tegels
  • tegels
  • tegels
  • tegels
  • tegels

Antwoorden: 1: 5, 8, 7, 3, 4, 6 · 2: 12, 8, 9, 6, 10, 6

kiendoo.com/meten-oefenen/

Meter en centimeterGroep 4

Meten: Meter en centimeter

Naam:

1. Waar staat de pijl? Schrijf het in centimeters.

  • cm
  • cm
  • cm
  • cm

2. Schrijf in centimeters.

  • 1 m 35 cm = cm
  • 2 m = cm
  • 2 m 70 cm = cm
  • 3 m 8 cm = cm
  • 1 m 50 cm = cm
  • 1 m 5 cm = cm

3. Schrijf in meter en centimeter.

  • 299 cm = m cm
  • 160 cm = m cm
  • 208 cm = m cm
  • 105 cm = m cm
  • 310 cm = m cm
  • 145 cm = m cm

4. Wie sprong het verst? Zet een kring om de verste sprong.

  • 98 cm1 m 5 cm1 m
  • 1 m 50 cm1 m 5 cm140 cm
  • 2 m 3 cm199 cm2 m
  • 120 cm1 m 2 cm1 m 25 cm

Antwoorden: 1: 37, 104, 148, 186 · 2: 135, 200, 270, 308, 150, 105 · 3: 2 m 99 cm, 1 m 60 cm, 2 m 8 cm, 1 m 5 cm, 3 m 10 cm, 1 m 45 cm · 4: 1 m 5 cm, 1 m 50 cm, 2 m 3 cm, 1 m 25 cm

kiendoo.com/meten-oefenen/

Lengtematen omrekenenGroep 5

Meten: Lengtematen omrekenen

Naam:

1. Vul in.

  • 1 m = dm
  • 1 dm = cm
  • 1 cm = mm
  • 1 m = cm
  • 1 km = m
  • 1 m = mm

2. Reken om.

  • 40 mm = cm
  • 2 km = m
  • 3 cm 5 mm = mm
  • 70 dm = m
  • 250 cm = dm
  • 5000 m = km
  • 1 m 2 dm = dm
  • 2 m 4 dm = cm
  • 3 m = dm
  • 12 dm = cm

3. Wat is het langst? Zet er een kring om.

  • 12 dm118 cm1 m 15 cm
  • 2 km1900 m2 m
  • 45 mm5 cm4 cm 8 mm
  • 3 m29 dm310 cm
  • 1 m 2 dm1 m 20 cm125 cm

Antwoorden: 1: 10, 10, 10, 100, 1000, 1000 · 2: 4, 2000, 35, 7, 25, 5, 12, 240, 30, 120 · 3: 12 dm, 2 km, 5 cm, 310 cm, 125 cm

kiendoo.com/meten-oefenen/

Omtrek en oppervlakte in hokjesGroep 5

Meten: Omtrek en oppervlakte in hokjes

Naam:

1. Elk hokje is 1 m bij 1 m. Hoeveel meter hek staat eromheen, en hoeveel hokjes gras liggen erop?

  • Hek: mGras: hokjes
  • Hek: mGras: hokjes
  • Hek: mGras: hokjes
  • Hek: mGras: hokjes
  • Hek: mGras: hokjes
  • Hek: mGras: hokjes

2. Teken twee verschillende velden met precies 12 meter hek.

Antwoorden: 1: hek 14, 8, 14, 12, 12, 14; gras 12, 4, 6, 9, 8, 10 · 2: bijvoorbeeld 5 bij 1, 4 bij 2 of 3 bij 3

kiendoo.com/meten-oefenen/

Omtrek en oppervlakte met de formuleGroep 6

Meten: Omtrek en oppervlakte met de formule

Naam:

1. Reken de omtrek en de oppervlakte uit.

  • Omtrek: mOppervlakte: m²
  • Omtrek: mOppervlakte: m²
  • Omtrek: mOppervlakte: m²
  • Omtrek: mOppervlakte: m²
  • Omtrek: mOppervlakte: m²
  • Omtrek: mOppervlakte: m²

2. Vul de tabel in.

LengteBreedteOmtrekOppervlakte
6 m4 m m m²
5 m m18 m m²
m3 m m21 m²
10 m m m50 m²

3. Elk veld is 24 m². Hoeveel meter hek is er nodig?

  • 24 m bij 1 m: m
  • 12 m bij 2 m: m
  • 8 m bij 3 m: m
  • 6 m bij 4 m: m

Bij welk veld is het hek het kortst?

Antwoorden: 1: omtrek 30, 28, 32, 34, 26, 26; oppervlakte 54, 49, 48, 30, 30, 40 · 2: 20 m en 24 m²; 4 m en 20 m²; 7 m en 20 m; 5 m en 30 m · 3: 50 m, 28 m, 22 m, 20 m; 6 m bij 4 m

kiendoo.com/meten-oefenen/

Speel Sportdag

Op de Sportdag meet een kind zelf hoe ver en hoe hoog de sporters springen. Groep 3 meet in de Zandbak met voetjes en stappen. Groep 4 legt op de Verspringbaan het meetlint. Groep 5 legt op de Springmat de lat, in meter, decimeter en centimeter. En groep 6 zet op het Grasveld een hek en legt er gras op.

Gaat het mis, dan laat het spel zien hoe het wel moet: de voetjes krijgen nummers, het lint schuift naar de 0 of de lat gaat naar de goede hoogte. Zonder reclame en zonder account; de voortgang blijft op je eigen apparaat.

  1. Voetjes leggen

    De sporter springt. Leg voetjes hak tegen teen vanaf de balk, tot aan de hakken in het zand.

  2. Meetlint en lat

    Leg de 0 van het meetlint bij de balk en lees af: 1 m 35 cm. Of leg de lat op 1 m 2 dm; de sporter springt eroverheen.

  3. Hek en gras

    Je hebt 14 m hek: maak het veld zo groot dat het precies past. Of leg 12 m² gras, tegel voor tegel.

Speel Sportdag

Vragen over meten

Wat leert een kind bij meten op de basisschool?

Lengte en omtrek, oppervlakte, inhoud, gewicht, tijd en geld. Het begint in groep 3 met meten met voetjes en stappen. Daarna komen de meter, de kilo en de liter, en in groep 6 de formules voor omtrek en oppervlakte. Op deze pagina gaat het over lengte, omtrek, oppervlakte en gewicht.

In welke groep leer je meter en centimeter?

In groep 4. Dan leert een kind dat 1 meter 100 centimeter is en meet het met een liniaal, rolmaat of meetlint tot op de centimeter. In groep 5 komen de millimeter, de decimeter en de kilometer erbij. Elke school kiest een eigen tempo.

Hoeveel centimeter is een meter?

100 centimeter. Een meter is ook 10 decimeter, en een decimeter is 10 centimeter. Een centimeter is 10 millimeter, dus een meter is 1000 millimeter.

Wat is het verschil tussen omtrek en oppervlakte?

De omtrek is de lengte rondom, zoals het hek om een veld. Die meet je in meter of centimeter. De oppervlakte is hoe groot het vlak is, zoals het gras op het veld. Die meet je in vierkante meter (m²) of vierkante centimeter (cm²).

Hoe bereken je de omtrek van een rechthoek?

Tel alle zijden op, of reken 2 × (lengte + breedte). Een veld van 4 m bij 3 m heeft een omtrek van 2 × 7 = 14 m. In groep 5 telt een kind de omtrek nog op roosterpapier; in groep 6 gebruikt het de formule.

Hoe bereken je de oppervlakte van een rechthoek?

Lengte keer breedte. Een veld van 4 m bij 3 m is 4 × 3 = 12 m². Je kunt het ook zien als 3 rijen van 4 tegels van 1 m². In groep 5 telt een kind de hokjes; in groep 6 rekent het met lengte keer breedte.

Hoe reken je lengtematen om?

Met de trap van de lengtematen: km, hm, dam, m, dm, cm, mm. Elke trede omlaag is keer 10, elke trede omhoog is gedeeld door 10. Zo is 12 dm hetzelfde als 120 cm, en 2 km hetzelfde als 2000 m.

Wanneer leert een kind kilo en gram?

De kilogram komt in groep 4: wegen met een weegschaal, in hele kilo's. In groep 5 komt de gram erbij (1000 gram is 1 kilo), en in groep 6 vergelijkt een kind gewichten zoals 2,5 kg en 2000 gram.

Ook oefenen op Kiendoo